Let op! Een belangrijke kanttekening met betrekking tot dit artikel is dat de Zelfstandigenwet nog geen definitieve wet is.
De nieuwe Zelfstandigenwet, die volgens de huidige planning op 1 januari 2028 moet ingaan, moet meer duidelijkheid brengen voor zowel opdrachtgevers als voor zzp’ers. De gekozen aanpak is eigenlijk verrassend overzichtelijk.
Wanneer ben je écht zelfstandig?
Het lijkt een eenvoudige vraag, maar inmiddels houdt die vraag zzp’ers, opdrachtgevers, juristen en politiek Den Haag al jaren bezig. Want iemand kan zichzelf ondernemer noemen, ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en netjes facturen sturen, maar daarmee staat nog niet vast dat er juridisch ook sprake is van zelfstandigheid.
En andersom geldt hetzelfde. Een professional die bewust voor het ondernemerschap heeft gekozen, kan door de manier waarop een opdracht wordt uitgevoerd ineens in een discussie over schijnzelfstandigheid terechtkomen.
Het gevolg is onzekerheid. Niet alleen bij zzp’ers, maar zeker ook bij opdrachtgevers.
Er komen twee toetsen.
De eerste kijkt naar de ondernemer.
De tweede kijkt naar de opdracht.
En juist die combinatie kan een belangrijk verschil gaan maken.
Toets 1: ben je daadwerkelijk ondernemer?
De eerste toets is de zelfstandigentoets.
Daarbij draait het nog niet om de relatie met één specifieke opdrachtgever. Eerst wordt gekeken naar de zzp’er zelf. Gedraagt deze persoon zich daadwerkelijk als ondernemer en draagt hij of zij ook de verantwoordelijkheden en risico’s die bij ondernemerschap horen?
In de huidige uitwerking bestaat deze toets uit vijf voorwaarden.
Een zelfstandige moet:
- voor eigen rekening en risico werken;
- een deugdelijke bedrijfsadministratie voeren;
- zich in het economisch verkeer als zelfstandig ondernemer presenteren;
- een adequate voorziening hebben getroffen voor arbeidsongeschiktheid;
- een proportionele bijdrage leveren aan een voorziening voor inkomensverlies.
De gedachte daarachter is goed te volgen.
Zelfstandig ondernemerschap betekent vrijheid, maar bij die vrijheid horen ook verantwoordelijkheden. Een ondernemer loopt risico, voert een eigen administratie, begeeft zich zelfstandig op de markt en moet zelf nadenken over zaken die voor werknemers doorgaans via de werkgever zijn geregeld.
Maar daarmee ben je er nog niet.
Toets 2: is ook de opdracht daadwerkelijk zelfstandig?
Dit is misschien wel het interessantste onderdeel van het voorstel.
Want iemand kan zonder twijfel ondernemer zijn en toch bij een bepaalde opdrachtgever op een manier werken die sterk lijkt op die van een werknemer.
Daarom volgt een tweede beoordeling: de werkrelatietoets.
Nu verschuift de aandacht van de persoon naar de dagelijkse praktijk van de opdracht.
Daarbij wordt naar vier punten gekeken:
- hoeveel vrijheid heeft de zelfstandige bij het indelen van de werktijd?
- hoeveel vrijheid heeft de zelfstandige bij het organiseren en uitvoeren van het werk?
- is er sprake van hiërarchische controle?
- hebben beide partijen daadwerkelijk de bedoeling om anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst samen te werken?
Dat onderscheid tussen ondernemer en opdracht is belangrijk.
Stel dat een zelfstandig IT-specialist meerdere klanten heeft, een eigen website en administratie heeft, zelf investeert in opleidingen en apparatuur en ondernemersrisico loopt.
Op papier een duidelijke ondernemer.
Maar stel vervolgens dat hij voor één opdrachtgever vijf dagen per week op vaste tijden moet werken, toestemming moet vragen voor vrije dagen en dagelijks instructies krijgt van een leidinggevende.
Dan ontstaat een ander beeld.
Je kunt dus ondernemer zijn, terwijl een specifieke opdracht onvoldoende zelfstandig is ingericht.
Negen criteria, maar geen simpele afvinklijst
De twee toetsen bevatten in de huidige uitwerking samen negen criteria: vijf bij de zelfstandigentoets en vier bij de werkrelatietoets.
Wanneer aan alle negen voorwaarden wordt voldaan, moet volgens het voorstel een zogenoemde veilige haven ontstaan. Zzp’er en opdrachtgever krijgen daarmee vooraf meer zekerheid dat hun samenwerking niet als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt.
Dat klinkt aantrekkelijk. Maar er zit een belangrijke nuance in.
Wanneer niet aan alle negen voorwaarden wordt voldaan, betekent dat niet automatisch dat de zzp’er ineens werknemer is.
Er is dan alleen geen beroep mogelijk op deze veilige haven. Vervolgens moet de arbeidsrelatie alsnog worden beoordeeld aan de hand van het bestaande wettelijke kader en de relevante jurisprudentie.
Het wordt dus geen stoplicht waarbij negen keer groen automatisch ‘zzp’ betekent en één keer rood automatisch ‘werknemer’.
De twee toetsen zijn vooral bedoeld om een gebied te creëren waarin partijen vooraf meer zekerheid hebben.
Het contract alleen gaat je niet redden
Misschien is dit wel de belangrijkste boodschap voor opdrachtgevers.
Jarenlang lag bij het inhuren van zzp’ers veel nadruk op de overeenkomst van opdracht. Als het contract juridisch goed was opgesteld en duidelijk vermeldde dat partijen geen arbeidsovereenkomst wilden aangaan, voelde dat als een belangrijke zekerheid.
Maar de praktijk is minstens zo belangrijk.
Staat in de overeenkomst dat de zzp’er zelf zijn werktijden bepaalt, terwijl de opdrachtgever in werkelijkheid het rooster maakt?
Staat er dat de zelfstandige vrij is in de uitvoering van de opdracht, terwijl een manager dagelijks bepaalt wat er moet gebeuren?
Of staat er dat iemand zelfstandig ondernemer is, terwijl hij jarenlang vrijwel uitsluitend voor dezelfde opdrachtgever werkt en nauwelijks ondernemersrisico loopt?
Dan kunnen papier en werkelijkheid uit elkaar gaan lopen.
En uiteindelijk is het die werkelijkheid die zwaar weegt.
Van één ingewikkelde vraag naar twee begrijpelijke vragen
De kracht van het voorstel zit wat mij betreft vooral in de manier waarop naar zelfstandigheid wordt gekeken.
De discussie gaat nu vaak direct over de ingewikkelde juridische vraag:
Is er wel of geen sprake van een arbeidsovereenkomst?
De nieuwe systematiek begint ergens anders en stelt eerst twee veel praktischere vragen:
1. Is deze persoon daadwerkelijk ondernemer?
2. Is de opdracht zo ingericht dat deze ondernemer ook daadwerkelijk zelfstandig kan werken?
Dat maakt de discussie een stuk concreter.
Een grafisch ontwerper, interim-manager, bouwkundig adviseur, marketingspecialist, consultant of IT-professional kan zonder twijfel ondernemer zijn. Maar dat betekent niet automatisch dat iedere opdracht die hij aanneemt ook als zelfstandige opdracht kan worden uitgevoerd.
En andersom hoeft het feit dat een zelfstandige langere tijd voor dezelfde opdrachtgever werkt niet op zichzelf doorslaggevend te zijn. Het gaat om het totale beeld van de ondernemer én de manier waarop de samenwerking feitelijk is ingericht.
Wat kunnen zzp’ers zelf hiermee?
Ook voor zelfstandigen biedt deze manier van kijken een nuttige spiegel.
Veel zzp’ers kijken bij het beoordelen van hun ondernemerschap vooral naar bekende kenmerken: meerdere opdrachtgevers, een KvK-inschrijving, een btw-nummer en het versturen van facturen.
Maar de zelfstandigentoets gaat verder.
Loop je daadwerkelijk ondernemersrisico? Presenteer je jezelf actief op de markt? Heb je je administratie professioneel ingericht? Heb je voorzieningen getroffen voor de financiële risico’s die je als zelfstandige loopt?
En vervolgens komt de tweede vraag: hoeveel zelfstandigheid heb je eigenlijk binnen je opdrachten?
Kun je zelf bepalen hoe je werkt? Heb je invloed op je planning? Word je afgerekend op het resultaat van je opdracht of word je feitelijk aangestuurd zoals een werknemer?
Dat zijn vragen waar iedere zzp’er zichzelf zo nu en dan kritisch op zou kunnen toetsen.
En wat betekent het voor opdrachtgevers?
Voor opdrachtgevers betekent het vooral dat het inhuren van een zzp’er niet zou moeten beginnen én eindigen met een contract.
Bij iedere opdracht zou je eigenlijk twee dingen moeten kunnen onderbouwen.
Waarom beschouwen wij deze persoon als zelfstandig ondernemer?
En waarom vinden wij dat deze specifieke opdracht zelfstandig kan worden uitgevoerd?
Dat betekent ook dat de mensen die in de dagelijkse praktijk met de zzp’er samenwerken moeten begrijpen wat er is afgesproken. Een juridisch correcte overeenkomst heeft weinig waarde wanneer de samenwerking vervolgens precies wordt ingericht alsof iemand in loondienst is.
De manier waarop je samenwerkt wordt minstens zo belangrijk als de manier waarop je de samenwerking op papier hebt gezet.
We zijn er nog niet
Een belangrijke kanttekening is dat de Zelfstandigenwet nog geen definitieve wet is.
Volgens de huidige planning wordt het wetsvoorstel eind september 2026 aangeboden voor uitvoeringstoetsen. Daarnaast volgt een tweede internetconsultatie en een nieuwe toets door het Adviescollege toetsing regeldruk. Daarna moet het voorstel nog langs de Raad van State en vervolgens door de Tweede en Eerste Kamer.
De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028.
Er kan dus nog het nodige veranderen. Ook de precieze invulling van de negen criteria staat nog niet definitief vast.
Toch is de richting interessant
Na jaren discussie over DBA, modelovereenkomsten, schijnzelfstandigheid en jurisprudentie probeert de wetgever met de Zelfstandigenwet een duidelijker uitgangspunt te creëren.
Niet alleen kijken naar wat iemand op papier is.
Niet alleen kijken naar één opdrachtgever.
Maar kijken naar twee kanten van dezelfde samenwerking:
Ben je echt ondernemer?
én
Werk je binnen deze opdracht ook echt als ondernemer?
Dat onderscheid is eigenlijk heel logisch.
Want echte zelfstandigheid begint niet bij een KvK-nummer en eindigt niet bij een overeenkomst van opdracht.
Zelfstandigheid moet blijken uit wie je als ondernemer bent én uit de manier waarop je daadwerkelijk werkt.
Als de nieuwe Zelfstandigenwet erin slaagt om juist daar meer duidelijkheid over te geven, zou dat voor zowel zzp’ers als opdrachtgevers weleens een belangrijke stap vooruit kunnen zijn.

